Muziek uit mijn jeugd

Let us cling together

Opgegroeid in een gezin waar De Zingende Zusjes, John Woodhouse, Westlands Mannenkoor en mijn moeder -die dag en nacht zong, vooral kinderliedjes en christelijke liederen- voor het grootste deel van de muziek zorgden, ging de muziekwereld voor mij open toen ik bij vriendinnen thuis het bestaan van andere muziek ontdekte. Arbeidsvitaminen (voor u), en Radio Veronica “één negen twee, goed idee, luister mee naar Veronica” begonnen invloed te krijgen op mijn muziekbeleving. Toen ik in 1971 (zesde klas lagere school) voor 5 gulden een transistorradiootje overnam van een klasgenoot kon ik eindelijk helemaal zelf bepalen waar ik naar luisterde. Wel met een beetje gekraak, maar tjongejonge wat een prachtige muziek bestond er! 

Ik sla gemakshalve een aantal jaar over tot 1977. Ik woonde toen intern in een ziekenhuis in Rotterdam, waar ik de intramurale opleiding verpleegkunde A begonnen was. Piepjong was ik achteraf en helemaal niet voorbereid op wat Rotterdam en de opleiding allemaal met mij zouden doen. Ik was vaak doodeenzaam, voelde me een sukkeltje in de aanwezigheid van de wereldwijze, stadse jongens en meiden met wie ik in de opleiding zat en was dolgelukkig dat Gerda er was, een dorpsgenootje dat op dezelfde verdieping als ik woonde in het zusterhuis. Muziek stond altijd aan als we vrij waren. Ik had een pick up en een radio, maar niet heel veel lp’s, dus ik leende regelmatig van Gerda. Op een emotionele avond na een weekendje thuis in ‘s-Gravenzande kwam ze langs met haar nieuwste aanwinst, A Day At The Races van Queen. Bij het nummer Teo Torriate stroomden de tranen van heimwee langs mijn wangen. Let us cling together, het was waar ik naar verlangde, together clingen met mijn ouders, zusje, broertje en niet in het minst mijn vriend.

Nu, in een tijd waarin we allemaal afstand moeten houden, is deze song opeens weer een bron van heimwee. Niet alleen naar die tijd waarin ik nog aan het begin van mijn leven stond, vol idealen en verwachtingen, maar ook naar de mensen die ik voorlopig nog niet mag knuffelen of zelfs maar bezoeken. Is dat ook zwijmelen? Ja, ik zwijmel wel op de tonen van Queen’s Teo Torriate…

Blij met ons tuintje

Veroverde aardbeien

Ik schreef laatst al over mijn wedstrijd met de huisjesslakken, hier zie je hoe winst eruit kan zien. Het aantal lok-aardbeien is verhoogd naar een stuk of acht en ze zijn verplaatst naar het stukje woestenij aan de andere kant van de tuin, omdat de slijmerds daar vandaan lijken te komen. We hopen ze op deze manier ver van mijn zomerkoninkjes te kunnen houden. Het lijkt te werken en de zon werkt ook goed mee, want we hebben bij elkaar al ruim een pond aardbeitjes kunnen veroveren in drie dagen tijd. Gewassen en ontkroond heb ik ze in een plat bakje en netjes op rijtjes ingevroren en eenmaal goed bevroren overgedaan in een flinke verzamelzak, onder het motto ‘wie wat bewaart, heeft wat’. Of… nou ja, ik heb niet alles bewaard, want ik wilde nu ook al wat hebben, dus een paar zijn er wel mijn mond in gegaan.

*Ploep* er schiet een herinnering uit een geheugenlaadje. Het verhaaltje van W.G. van de Hulst over de drie domme zusjes en hun broertje die bosaardbeitjes plukken in het bos van de baron. Met de kerstvieringen van de zondagschool in de kerk kregen wij als kind altijd een boek, geschreven door W.G. van de Hulst, en een zakje met fruit, ik herinner me sinaasappels, en een chocolade musketklokje met een rood lintje. De kerk was altijd prachtig versierd en er hing dan zo’n echte kerstsfeer, deels gevoed door de geur van de kerstboom die naar kerst rook. Ondanks alle vreemde effecten van een christelijke opvoeding heb ik daar toch nog steeds heel warme gedachten bij.

Er zijn nog een heleboel groene of halfrijpe aardbeien, dus hopelijk kunnen we er de komende dagen nog wel een pondje of wat bij veroveren. Ik hoop nog genoeg om er aardbeien-sinaasappelwodka mee te maken.

Tegen dat de aardbeien op zijn, zijn de eerste frambozen rijp, zó lekker. Vorig jaar heb ik jam en ijsjes gemaakt van een deel van de frambozen en een deel heb ik ingevroren en bij feestelijke gelegenheden gebruikt in gebak en toetjes. Dat werkte uitstekend, dus is voor herhaling vatbaar.

Ik ben blij met onze tuin!

Voor papa

3 november 1998

Vandaag zit er een kind in de trein, een kind van 39, maar eventjes weer klein: naast papa in de kerk, waar hij het hardste en mooiste zingt van iedereen, met van die prachtige galmende uithalen!

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: door oma heel vroeg uit bed gehaald; papa staat in oma’s kamer om het hoekje van de deur en zegt met alle geluk van de wereld in zijn stem en tranen in zijn ogen:”Je hebt een broertje, een BROERTJE!”

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: met papa mee naar de bouw; helpen kruiwagens zand sjouwen terwijl op de radio Eddy Merckx bezig is de Tour te winnen; een dood lieveheersbeestje begraven in een van papa gekregen lucifersdoosje; in de keet besmuikt kijken naar de (natuurlijk door papa’s collega’s daar opgehangen) plaatjes van blote “dames”.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: met papa en Petra een eind fietsen, helemaal naar het Staelduinse Bos en op de terugweg uitrusten in het gras en alle voorbijrazende auto’s bewonderen.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind, niet meer klein: die stoere, sterke papa, die als een kind zo blij was met de geboorte van elk kleinkind, die elk huilend baby’tje stil kreeg, die bulderend kon lachen en bulderend boos kon zijn, die de woorden “ik hou van je” nooit tegen me uitsprak maar me in alles liet merken dat hij dat wél deed, die het vaak niet eens was met mijn keuzes of ze gewoon niet begreep maar die toch, al was het soms wankelend, achter me bleef staan, die trouwe, zorgzame papa is er opeens niet meer.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar nooit meer “klein”. Wat zou ik er veel voor willen geven om hem nog 1 keer Annekie tegen me te horen zeggen. Papa, ik hou van je.

Vergeet-me-nietjes

Anja, 11 oktober 2002

Ikvergeetjenietjes

Langs de route naar mijn werk ligt een begraafplaats. Een begraafplaats die voor mij niet echt iets betekent. Ik heb geen mensen gekend die daar hun laatste rustplaats hebben. De mensen die ik gekend heb, waar ik van gehouden heb en die er niet meer zijn liggen allemaal ver van hier begraven.

Deze lente zag ik opeens een uitbundig bloeiende pol vergeet-me-nietjes net buiten het hek. Ze moesten wel daar groeien want binnen het hek zijn ze niet nodig. De mensen die ze daar binnen zouden zien hoeven niet herinnerd te worden aan hun dierbaren, die zijn speciaal voor hen door dat hek gegaan.

Even dacht ik dat jij ze daar had geplant zodat ik jou niet zou vergeten, even maar, totdat ik bedacht dat jij natuurlijk weet dat ik daar geen bloemetjes (onkruid zou jij zeggen) voor nodig heb.

Iedere dag stuur je me vergeet-me-nietjes: Een meneer op een brommer, buik vooruit, heersersblik: de weg is van mij; een van jouw lievelingsliederen, Glory Glory Hallelujah gespeeld door John Woodhouse, zomaar te downloaden van een nieuwsserver; mijn zelfgemaakte nasi die jij zo lekker vond; Jerry Cottons op een kraampje op de markt, zo’n beetje de enige ‘boeken’ die jij las; wakker worden van het gezang van een merel, “Moet je horen, máchtig mooi!” zei jij altijd; de cijfercode waar de deuren van de psychogeriatrische afdelingen op mijn werk mee open gaan – wat was je daar bang voor, opgesloten te worden bij de ‘ouwe-van-dagen’; dahlia’s in een tuintje; een opa met zijn kleindochter in het kinderzitje voorop de fiets; gekleurde kerstboomlampjes; Alex die net als jij altijd zonder eerst te proeven maggi in z’n soep kiepert; een zelfgemaakte molen voor een huis; een A’tje van koperdraad om op te spelden, jij kocht dat ooit voor mij en ik was het heel lang kwijt…

Lieve papa,

In de afgelopen 4 jaar ben ik maar één keer teruggeweest naar jouw ‘laatste rustplaats’. Ik ging, omdat ik weet dat jij daar waarde aan hechtte en omdat mama het graag wilde. Daar groeiden geen vergeet-me-nietjes. Dat hoeft ook niet, ik vind ze hier, 200 kilometer ver weg, iedere dag!

Altijd al ongeduldig geweest

Een blog maken

Natuurlijk is dat leuk, dat ga ik doen, en wel meteen. Ik heb een heleboel schrijfsels liggen, en foto’s, en stukkies, en gedichtjes, en er zit nog van alles in mijn hoofd, dus geen tijd te verliezen. Hoe ik het ga aanpakken zie ik onderweg wel, gewoon beginnen en dan wordt het vanzelf wel iets.

Ik ben nu twee dagen bezig en ik heb vooral van alles geplaatst, verschoven, gekopieerd naar andere pagina’s, veranderd en weer terug veranderd. Inmiddels heb ik wel iets geleerd, maar ik ben ook alweer dingen vergeten. Ik hoop dat jullie bij me blijven op mijn bloggerspad *glimlach*

grasklokje
grasklokje

Lok-aardbei

Al jaren hebben wij aardbeienplanten in de tuin. Inmiddels hevig verwilderd, maar ik pluk er nog steeds de vruchten van. Als ik de kans krijg tenminste. We hebben hier nogal wat huisjesslakken in de tuin en die vinden aardbeien ook erg lekker. Vaak heb ik dus wedstrijdjes met slakken: wie is er het eerst bij de zomerkoninkjes. Nou zou je denken dat slakken dat altijd afleggen, maar helaas zijn dat vreselijke stiekemerds. Ze slaan toe als ik slaap! Omdat ik van alle dieren hou, kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om slakkenkorrels of andere nare dingen neer te leggen om ze weg te houden en eigenlijk hebben zij net zoveel recht op de vruchten der natuur als ik. Nou hebben ze wel de onhebbelijke eigenschap om van alle vruchtjes een hapje te nemen en dan op zoek te gaan naar de volgende roodglanzende lekkernij, en dat vind ik wel een beetje jammer.

Gisteren regende het zachtjes, waardoor de slakken vroeger dan anders tevoorschijn kwamen. We zagen ze zonder aarzelen richting de sappige koninkjes glibberen. Op dat moment had mijn lief een briljante inval: hij plukte een aardbei waar al een slak aan de maaltijd zat en legde die op het pad van de aanstormende horde slakken. Wat denk je? Het werkte! Ze gingen rechtstreeks richting de lok-aardbei, zodat wij de overige rijpe aardbeitjes konden redden.

Lief huis,

Leeg en eenzaam sta je hier aan de Oldenzaalsestraat. Op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag fiets ik bij je langs, ’s morgens en ‘s middags. Je moet me inmiddels opgemerkt hebben want ik bekijk je altijd met een verliefde blik. Geen huis dat daar ongevoelig voor kan blijven toch? Soms denk ik dat je verlegen glimlachend terugkijkt, je ramen heel iets vertroebeld. Zou mijn liefde dan toch beantwoord worden?

Tot voor een paar maanden waren je kamers gevuld met auto’s, voornamelijk hele oude auto’s volgens mij. Twente moet wel haast het walhalla zijn voor oude auto’s, daar rijden er hier nog zoveel van rond. Ik heb nooit kunnen ontdekken wat jij precies betekende voor die auto’s. Was je een autohotel? De garage van een verzamelaar? Een restauratiewerkplaats? Het maakt verder niet meer uit; nu zijn je kamers leeg en hol. Ze smeken om bewoning, lachende mensen, gepraat, gezelligheid…

Weet je waar ik bang voor ben? Dat niemand behalve ik ziet dat je een húis bent. Dat de projectontwikkelaar die een bord over je voordeur heen gespijkerd heeft alleen de locatie ziet. Dat je dus afgebroken zult worden om ruimte te maken voor een of ander modern, karakterloos kantoorgebouw. Dat je opgeofferd wordt aan de woeste plannen om van de Oldenzaalsestraat een hypermodern ‘visitekaartje’ van Hengelo te maken. Dat niemand er geld in wil steken om jouw muren opnieuw te voegen, jouw houtwerk te verven en waar nodig te vervangen, jouw dak te repareren en jouw binnenste weer bewoonbaar te maken. Voor mij ben je representatief voor Hengelo en haar inwoners. Gemoedelijk, een beetje in verval geraakt maar heel aantrekkelijk.

Liefde maakt blind, ik weet het. Ongetwijfeld herberg jij onbekende en ongeziene gebreken. Veel comfort zul je zomaar niet bieden. CV is waarschijnlijk voor jou een onbekende afkorting. Ik betwijfel of je warm stromend water te geven hebt. Je muren kunnen heel wel doordrenkt zijn van benzinedampen. Toch zou ik er veel voor over hebben om jou míjn huis te kunnen noemen.

Helaas… geld heb ik niet, alleen maar dromen. Maar ik beloof je dit: als ik de hoofdprijs win in de Postcodeloterij dan koop ik je. Dan zal ik met mijn gezin jouw kamers vullen met gezelligheid, gelach, gehuil, kortom: leven!

Een perfect ronde knikker

Een perfect ronde knikker was ik, zo één met prachtige kleuren van binnen, waar ieder kind met bewondering naar kijkt, en een glad, glanzend glazen omhulsel. Helemaal gaaf, geen foutje te bekennen.

Toen werd ik geboren, ging deelnemen aan het leven. In het begin keek iedereen met verbazing naar die mooie binnenkant, al die prachtige kleuren. Ik was onaantastbaar in mijn kindzijn, veilig nog voor alle invloeden van buitenaf.

Mijn deelname aan het leven werd intensiever, ik leerde kruipen, lopen, praten, luisteren, verstaan, begrijpen… en daarmee kwamen de eerste –kleine- oneffenheidjes in die mooie glazen wand. Krasjes, die met een beetje liefde nog wel te bedekken waren. Putjes, die met iets meer liefde nog wel op te vullen waren.

Groter werd ik, er werd met me gespeeld en ik liet met me spelen. Ik speelde met anderen en anderen lieten mij met zich spelen. Ook dat had invloed op die mooie, maar niet meer gladde buitenkant. De glans ging er een beetje vanaf. Er werd tegen me aangeschopt, ik kwam in botsing met andere, ooit even perfecte, knikkers. Op de punten waar de botsingen het hevigst waren, schoten er scherfjes van het omhulsel af. Dat deed pijn, ik ging proberen om botsingen te vermijden. Natuurlijk ging dat niet goed, als ik opzij rolde naar links, lag daar juist een nog grotere botsing klaar om te gebeuren. Als ik dan uitweek naar rechts, bleek daar een diepe put te zijn waar ik inviel. Ik probeerde me mee te laten rollen met alles dat om mij heen bewoog. De glanzende buitenkant werd helemaal dof, de prachtige kleuren van binnen waren nog wel zichtbaar, maar vertroebeld.

Ik werd ouder, er kwam iemand in mijn leven die ik toeliet een glimp op te vangen van mijn prachtig gekleurde binnenkant. Hij wilde die binnenkant volledig zichtbaar maken en probeerde met zijn liefde mijn doffe, gebutste buitenkant te polijsten. Dat lukte hier en daar wel; op andere plaatsen waren er te grote scherven af. Even leek het erop dat ik een diamant ging worden, met aan alle kanten mooie symmetrische vlakken.

Hij en ik, we zorgden samen voor twee prachtige, glanzende nieuwe knikkers met nog mooiere kleuren van binnen. We dachten dat het ons zou lukken om ze te beschermen tegen alle invloeden waar ze dof of gekneusd van zouden kunnen raken. Dat bleek naïef, bijna arrogant naïef te zijn.

Na verloop van tijd ontstonden tussen hem en mij botsingen die ervoor zorgden dat we beiden nieuwe putten en krassen opliepen. Zoveel dat we ons bezeerden aan de ander en de ander bezeerden met onszelf. Ik besloot alleen verder te gaan. Erger had ik onze twee knikkertjes niet kunnen beschadigen dacht ik soms.

Ik vond een knikker die veel ernstiger beschadigd was dan ik maar die mij toeliet in zijn leven, toestond dat ik met mijn liefde zijn barsten en wonden probeerde te helen. Hij was de eerste die ik toestond door de scheuren heen mijn essentie aan te raken.

En nu, hoekig, beschadigd, met diepe barsten die hier en daar doorlopen tot de diep weggestopte gekleurde kern, besef ik dat het glazen omhulsel niet meer is dan juist dat: een glazen omhulsel. Door alle botsingen, schoppen, polijsten en stuiteren komt de naakte, onbeschermde binnenkant vrij. Alle kleuren zichtbaar, door niets meer verdoft of omfloerst. Dan pas kan die kern echt kleur geven. Natuurlijk, er zitten nog veel stukken omhulsel in de weg; soms is dat nodig, is onbeschermd mijn kern blootstellen aan de buitenwereld te eng, maar dof zal ik nooit meer zijn, helemaal verstopt ook niet. De verblindende kleuren sijpelen door de scheuren heen. Doordat ik leef, weet ik dat andere knikkers ook zo beschadigd zijn; sommige nog erger, bijna onherstelbaar, maar dat geeft niet. De kern, de gekleurde binnenkant komt langzaam maar zeker bij iedereen tevoorschijn. Mijn prachtig gekleurde essentie herkent de even schitterend gekleurde essentie in anderen. Ik laat mij aanraken in mijn kern, ik mag anderen aanraken in hun kern. Met mijn kleuren kan ik de kleuren van anderen aanvullen totdat we samenvloeien in het prachtigste palet dat een schilder zich kan wensen: de essentiële kleuren van het leven en de liefde.

Potjes creme

Mijn leeftijd verraadt zich door een potje crème…

Vroeger…

Vroeger, heel vroeger, toen had ik een hele batterij potjes en tubetjes met allerlei smeerseltjes voor alle plekjes van m’n lichaam die verzorging nodig hebben. Dagcrème, nachtcrème, elleboogcrème, voetencrème, bodylotion, lippenbalsem… En weet je wat er met al die prachtige, heerlijk ruikende potjes en tubetjes gebeurde? Na… ehm… nou, een jaar of 3, 4, verdwenen ze halfleeg en niet langer lekker ruikend in de vuilnisbak. Misschien, als ik goed zoek, liggen er hier of daar nog wel wat die nog niet gevonden zijn door de vuilnisbak. Zorgeloos vergat ik mezelf steeds in te vetten en door te smeren. Ik was jong en zou dat eeuwig blijven, tuurlijk! Lekker tot het laatst toe in bed blijven liggen ’s morgens en ’s avonds afgepeigerd er weer in rollen was veel belangrijker dan tijd verspillen aan invetrituelen.

Tweede jeugd

Maar nu… Nu zijn er plotseling twee potten crème schoon leeg! De ene stond op het plankje onder de spiegel in de slaapkamer, die was voor de nacht; de andere onder de spiegel in de badkamer, die was voor de dag, speciaal voor de tere huid rondom de ogen.Tenminste, dat stond op het etiket, maar ik ging er van uit dat wat goed is voor de tere huid rondom de ogen, ook goed is voor de tere (lees rimpelige) huid rondom mijn mond, in mijn hals, op mijn voorhoofd en waar je allemaal maar tere rimpels kunt krijgen. Echt leeg! Helemaal opgebruikt! In een half jaar tijd! Een teken aan de wand… Het moet wel komen doordat ik in m’n tweede jeugd zit. Een nieuwe relatie, een nieuwe omgeving, een nieuw leven dus. Of?

Komt het bekend voor?

Hebben meer vrouwen dat? Zo rond het 40ste levensjaar plotseling de tand des tijds aan je zien knagen, wroeging hebben over al die jaren waarin je je uiterlijk veronachtzaamd hebt, te lui was om mooi te willen blijven. Spijt… spijt van die eerste jeugd waarin ik niet verder dacht dan juist die eerste jeugd. Heb ik echt wel spijt? Of ben ik stiekem wel trots op die lachrimpeltjes, die tekenen dat ik toch die 40 jaar gewoon een goed leven gehad heb? Zouden al die leefrimpels wel zichtbaar geweest zijn als ik trouw die mooie potjes en tubetjes gebruikt had? Of zou ik er dan nu uitzien als een vrouw die oppervlakkig en zonder zorgen of humor een half leven achter zich heeft liggen?

Ik koop toch wel nieuwe…

De potjes zijn leeg, maar de lachrimpeltjes laten zich niet verdrijven. Toch koop ik nieuwe crème. Al is het maar om het gevoel te hebben dat ik nu nog iets kan doen aan de zorgenrimpeltjes. Die hoeven niet zo duidelijk zichtbaar te zijn, ik weet dat ze er zijn en waar ze vandaan gekomen zijn, maar dat hoeft niet iedereen te zien!