Mijn vader zei altijd…

Hé ma!

De Hema dreigde voor de zoveelste keer te verdwijnen. Dat kan niet, dat mag niet. Mijn herinneringen aan de Hema mogen toch geen archiefstukken worden? Nog steeds als ik die naam in rode letters zie staan, ruik ik de allereerste keer dat ik binnen was bij een Hema. Dat zal in Den Haag geweest zijn, daar ging je statten als je in het Westland woonde. Alle grote warenhuizen bij elkaar: Vroom & Dreesmann voor schoolspullen, C&A voor kleren, De Bijenkorf om je te vergapen aan de etalages en de Hema voor ondergoed, babyrompertjes, warme worst en schrijfwaren. We gingen niet zo vaak, natuurlijk niet, want statten kostte altijd meer geld dan je dacht. Als we gingen, was het wel bijna een dagje uit, dat dan weer wel. Met de WSM van het Vaartplein in ‘s-Gravenzande naar de Varkenmarkt in Den Haag en dan lopend langs de vishandel waar je lekker kon griezelen bij de levende palingen die in bakken voor het raam spartelden, naar de Grote Marktstraat waar het winkelen kon beginnen.

WSM bus op het Wilhelminaplein in Naaldwijk

Ik weet niet meer precies wanneer, maar eind jaren zestig of begin jaren zeventig kwam de Hema dichterbij. Het was wereldnieuws in het Westland, een Hema in Naaldwijk! Voor warme worst kon je er in het begin niet terecht geloof ik, maar wel voor ondergoed, babyrompertjes en schrijfwaren 😉 En ik mocht al vrij snel na de opening met mijn vader mee om te gaan kijken. Of er echt een ander doel was dan dit wonder te aanschouwen kan ik me niet herinneren, maar wat ik nog wel weet is dat ik achterop de brommer mocht bij mijn vader en dat we de winkel helemaal gezien hebben, ook de eerste etage die volgens mij met een roltrap te bereiken was, maar van waar je moest nederdalen via een gewone trap die ergens achteraf verstopt zat.

Op die eerste etage bevond zich onder andere de schrijfwarenafdeling en toen gebeurde het mooiste van die hele dag: ik mocht iets uitzoeken, een zomaar totaal onverwacht cadeautje! Het werd een dagboek, hemelsblauw met gouden versiering voorop en een heus gouden slotje! Ik heb altijd schrijversaspiraties gehad, dus dit was de kans om mijn enerverende leven te gaan beschrijven. Dagelijks een blaadje vol met de spannendste gebeurtenissen uit mijn leven, dit móest wel mijn eerste meesterwerk worden. Zo’n dagboek dat elke uitgeverij graag zou willen uitgeven en waarvan iedereen zou zeggen: “knap hoor, zo’n jong meisje en dan al zo volwassen schrijven!”

Ik bleek niet zo’n trouwe schrijver te zijn. Al na drie of vier dagen vergat ik mijn belevenissen op te schrijven, om na een week of twee het blauwe boekje weer te zien liggen en dan maar interessante, nooit beleefde dingen te bedenken voor de ‘vergeten’ dagen en dat herhaalde zich regelmatig, met steeds langere tussenpozen.

Het zal jullie niet verbazen dat het dagboek nooit vol gekomen is…

Ik spoor wel!

Lente 2004

Op gevaar af dat ik half forenzend Nederland hoog de (spoor-)bomen injaag, wil ik toch een lans breken voor het reizen per trein.

Vanavond trof ik het weer. Ik mocht voor de prijs van een rit die normaal gesproken binnen anderhalf uur al voorbij is (Amersfoort – Hengelo), bijna twee en een half uur in zo’n prachtige, droge coupé zitten. Een meter of honderd voor station Wierden stond de trein opeens stil, midden in dit prachtige dorp. Vrij snel na deze onverwachte stop werd omgeroepen dat er om onbekende reden een sein op rood stond en dat er tot dan toe tevergeefs geprobeerd was contact te zoeken met iemand die wist wat er aan de hand was. Hoera, eindelijk kreeg ik de kans om op mijn gemak te genieten van het uitzicht. Links een boerderijtje, bomen in bloei, een slootje omzoomd door Hollandse kant, een paar koeien in de wei… het had slechter gekund! Juist toen ik zo’n beetje alle fluitenkruidjes, koeien en bomen bij elkaar had opgeteld, door 314 gedeeld en toen met 7 vermenigvuldigd, uit het hoofd, kwam de trein weer in beweging. Gelukkig nog niet op topsnelheid, zodat ik kon blijven genieten van een dit keer niet voorbijflitsend uitzicht. Hoewel ik zeker wist dat ik in een intercity zat, stopte de trein vervolgens op het station in Wierden. Beetje saai station. Ik vond dat plekje honderd meter ervoor boeiender.

Inmiddels waren de jeugdigen in de coupé per mobieltje contact aan het zoeken met het thuisfront om de vertraging aan te kondigen. Ook daar kan ik van genieten. Iedereen heeft zo zijn eigen manier van het vertellen van een dergelijke pech. Een meisje van een jaar of 20 belde haar vriend en zei hem maar vast de stad in te gaan omdat ze geen idee had hoelang de vertraging zou duren. Uit de voor de helft te volgen dialoog viel af te leiden dat ze niet zo heel vaak te maken had met NS-plagerijtjes. Het traject was haar kennelijk ook niet erg bekend, want ze kon niet bij benadering zeggen waar de trein zich op het moment bevond. Ze had wel honger, dat mocht ze toch wel zeggen? Al vanaf 18.30 u. onderweg en wie weet wanneer ze iets zou kunnen eten. Ze had een lief thuisfront. Haar vriend bood kennelijk aan voor een diner te zorgen, want zij bestelde Foe Jong Hai met nasi goreng; ik kreeg er ook een beetje trek van. Een tweede meisje van ongeveer dezelfde leeftijd was duidelijk meer geplaagd door de NS. Zij begon haar gesprek met:”Het is weer eens zover, we zijn er bijna, maar nog lang niet helemaal. We zijn vlakbij Almelo, maar met deze snelheid kun je Almelo wel omdopen in Utopia, even onbereikbaar. Kom me maar niet afhalen, ik neem de bus wel weer. En oh ja, ik heb wel honger, is er nog iets in huis?” De meneer achter mij, die met zijn zoontje een familiebezoekje zou gaan afleggen, belde de neef die hem niet af zou halen of die de neef die hem wel af zou halen maar waar hij het telefoonnummer niet van wist wilde laten weten dat hij het niet wist, de tijd van aankomst, vanwege een vertraging met een oorzaak die niemand wist. Hij wist trouwens wel waar we waren… in Twente, dat had zijn zoontje zojuist verteld want die zat terwijl zijn topografie te leren. En Twente ligt boven de Achterhoek en dat weer boven Salland. (Is dat zo? Ik zou het niet eens zeker weten, dat van Salland dan.)

De mevrouw die voor me zat kreeg de kriebels door al dat stilstaan. Eerst ging ze maar eens naar het toilet (hm, dat doe ik nou nooit in de trein, zo vies! Toch een minpuntje voor de NS), toen ging ze omgekeerd in haar bank zitten en begon een gesprek met mijn achterbuurman en mij . Ze klaagde erover dat het toch nooit zonder vertragingen kan bij de NS, dat je nooit hoort wat er aan de hand is, dat ze niet wist waar we waren, dat ze zich verveelde en dat ze hier helemaal gestresst van werd, maar dat hadden wij inmiddels al gemerkt. Positief als ik van nature ben, probeerde ik haar klachten te relativeren. Ik reis vrij vaak met de trein en ik denk dat ik gemiddeld misschien twee keer per jaar een echte vertraging meemaak. Okee, vertragingen van minder dan een half uur tel ik niet mee. En er was toch net omgeroepen dat het personeel op deze trein ook niet wist waarom dat sein op rood bleef staan? Dat is al heel wat, dan weet je tenminste dat je niet de enige bent die het niet weet. Dat ze niet wist waar we waren kon ik haar niet kwalijk nemen. Toen dat omgeroepen werd, zat zij net op het toilet en misschien is daar de omroepinstallatie iets minder duidelijk. Ik vertelde haar dus maar dat we vlak voor Wierden stonden. Aan die verveling waren we al iets aan het doen, praten namelijk, en tegen dat stressen helpt iets doen ook, dus daar waren twee klachten in één klap verholpen toch? Ze kon gelukkig wel lachen.

Inmiddels werd er omgeroepen dat er een ernstige sein- en wisselstoring was in Almelo en dat het nog onbekend was hoelang het zou duren voor we verder konden reizen maar dat er voorlopig nog geen schot in leek te zitten. Direct na deze aankondiging zette de trein zich weer in beweging (afgeschoten?) en werd er omgeroepen dat we zoals het er naar uitzag -zij het met aangepaste snelheid- toch verder konden naar Almelo. Die aangepaste snelheid kwam mij wel goed uit, zo kon ik blijven genieten van de vertraagd voorbijkomende weiden, bosjes en slootjes. Ik wist het al, maar nu werd dat weten nog eens bevestigd: Twente is de mooiste streek van Nederland en daar geniet je het meest van als je er per trein met de snelheid van een fiets doorheen kunt trekken. Ik vond het bijna jammer dat we na Almelo weer in normaal tempo verder konden. Van mij had die trein er op dat stukje wel een kwartier langer over mogen doen. Ik had nog 20 minuten voordat de bus van een uur later zou gaan…

Muziek uit mijn jeugd

Let us cling together

Opgegroeid in een gezin waar De Zingende Zusjes, John Woodhouse, Westlands Mannenkoor en mijn moeder -die dag en nacht zong, vooral kinderliedjes en christelijke liederen- voor het grootste deel van de muziek zorgden, ging de muziekwereld voor mij open toen ik bij vriendinnen thuis het bestaan van andere muziek ontdekte. Arbeidsvitaminen (voor u), en Radio Veronica “één negen twee, goed idee, luister mee naar Veronica” begonnen invloed te krijgen op mijn muziekbeleving. Toen ik in 1971 (zesde klas lagere school) voor 5 gulden een transistorradiootje overnam van een klasgenoot kon ik eindelijk helemaal zelf bepalen waar ik naar luisterde. Wel met een beetje gekraak, maar tjongejonge wat een prachtige muziek bestond er! 

Ik sla gemakshalve een aantal jaar over tot 1977. Ik woonde toen intern in een ziekenhuis in Rotterdam, waar ik de intramurale opleiding verpleegkunde A begonnen was. Piepjong was ik achteraf en helemaal niet voorbereid op wat Rotterdam en de opleiding allemaal met mij zouden doen. Ik was vaak doodeenzaam, voelde me een sukkeltje in de aanwezigheid van de wereldwijze, stadse jongens en meiden met wie ik in de opleiding zat en was dolgelukkig dat Gerda er was, een dorpsgenootje dat op dezelfde verdieping als ik woonde in het zusterhuis. Muziek stond altijd aan als we vrij waren. Ik had een pick up en een radio, maar niet heel veel lp’s, dus ik leende regelmatig van Gerda. Op een emotionele avond na een weekendje thuis in ‘s-Gravenzande kwam ze langs met haar nieuwste aanwinst, A Day At The Races van Queen. Bij het nummer Teo Torriate stroomden de tranen van heimwee langs mijn wangen. Let us cling together, het was waar ik naar verlangde, together clingen met mijn ouders, zusje, broertje en niet in het minst mijn vriend.

Nu, in een tijd waarin we allemaal afstand moeten houden, is deze song opeens weer een bron van heimwee. Niet alleen naar die tijd waarin ik nog aan het begin van mijn leven stond, vol idealen en verwachtingen, maar ook naar de mensen die ik voorlopig nog niet mag knuffelen of zelfs maar bezoeken. Is dat ook zwijmelen? Ja, ik zwijmel wel op de tonen van Queen’s Teo Torriate…

Voor papa

3 november 1998

Vandaag zit er een kind in de trein, een kind van 39, maar eventjes weer klein: naast papa in de kerk, waar hij het hardste en mooiste zingt van iedereen, met van die prachtige galmende uithalen!

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: door oma heel vroeg uit bed gehaald; papa staat in oma’s kamer om het hoekje van de deur en zegt met alle geluk van de wereld in zijn stem en tranen in zijn ogen:”Je hebt een broertje, een BROERTJE!”

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: met papa mee naar de bouw; helpen kruiwagens zand sjouwen terwijl op de radio Eddy Merckx bezig is de Tour te winnen; een dood lieveheersbeestje begraven in een van papa gekregen lucifersdoosje; in de keet besmuikt kijken naar de (natuurlijk door papa’s collega’s daar opgehangen) plaatjes van blote “dames”.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: met papa en Petra een eind fietsen, helemaal naar het Staelduinse Bos en op de terugweg uitrusten in het gras en alle voorbijrazende auto’s bewonderen.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind, niet meer klein: die stoere, sterke papa, die als een kind zo blij was met de geboorte van elk kleinkind, die elk huilend baby’tje stil kreeg, die bulderend kon lachen en bulderend boos kon zijn, die de woorden “ik hou van je” nooit tegen me uitsprak maar me in alles liet merken dat hij dat wél deed, die het vaak niet eens was met mijn keuzes of ze gewoon niet begreep maar die toch, al was het soms wankelend, achter me bleef staan, die trouwe, zorgzame papa is er opeens niet meer.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar nooit meer “klein”. Wat zou ik er veel voor willen geven om hem nog 1 keer Annekie tegen me te horen zeggen. Papa, ik hou van je.

Vergeet-me-nietjes

Anja, 11 oktober 2002

Ikvergeetjenietjes

Langs de route naar mijn werk ligt een begraafplaats. Een begraafplaats die voor mij niet echt iets betekent. Ik heb geen mensen gekend die daar hun laatste rustplaats hebben. De mensen die ik gekend heb, waar ik van gehouden heb en die er niet meer zijn liggen allemaal ver van hier begraven.

Deze lente zag ik opeens een uitbundig bloeiende pol vergeet-me-nietjes net buiten het hek. Ze moesten wel daar groeien want binnen het hek zijn ze niet nodig. De mensen die ze daar binnen zouden zien hoeven niet herinnerd te worden aan hun dierbaren, die zijn speciaal voor hen door dat hek gegaan.

Even dacht ik dat jij ze daar had geplant zodat ik jou niet zou vergeten, even maar, totdat ik bedacht dat jij natuurlijk weet dat ik daar geen bloemetjes (onkruid zou jij zeggen) voor nodig heb.

Iedere dag stuur je me vergeet-me-nietjes: Een meneer op een brommer, buik vooruit, heersersblik: de weg is van mij; een van jouw lievelingsliederen, Glory Glory Hallelujah gespeeld door John Woodhouse, zomaar te downloaden van een nieuwsserver; mijn zelfgemaakte nasi die jij zo lekker vond; Jerry Cottons op een kraampje op de markt, zo’n beetje de enige ‘boeken’ die jij las; wakker worden van het gezang van een merel, “Moet je horen, máchtig mooi!” zei jij altijd; de cijfercode waar de deuren van de psychogeriatrische afdelingen op mijn werk mee open gaan – wat was je daar bang voor, opgesloten te worden bij de ‘ouwe-van-dagen’; dahlia’s in een tuintje; een opa met zijn kleindochter in het kinderzitje voorop de fiets; gekleurde kerstboomlampjes; Alex die net als jij altijd zonder eerst te proeven maggi in z’n soep kiepert; een zelfgemaakte molen voor een huis; een A’tje van koperdraad om op te spelden, jij kocht dat ooit voor mij en ik was het heel lang kwijt…

Lieve papa,

In de afgelopen 4 jaar ben ik maar één keer teruggeweest naar jouw ‘laatste rustplaats’. Ik ging, omdat ik weet dat jij daar waarde aan hechtte en omdat mama het graag wilde. Daar groeiden geen vergeet-me-nietjes. Dat hoeft ook niet, ik vind ze hier, 200 kilometer ver weg, iedere dag!

Lief huis,

Leeg en eenzaam sta je hier aan de Oldenzaalsestraat. Op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag fiets ik bij je langs, ’s morgens en ‘s middags. Je moet me inmiddels opgemerkt hebben want ik bekijk je altijd met een verliefde blik. Geen huis dat daar ongevoelig voor kan blijven toch? Soms denk ik dat je verlegen glimlachend terugkijkt, je ramen heel iets vertroebeld. Zou mijn liefde dan toch beantwoord worden?

Tot voor een paar maanden waren je kamers gevuld met auto’s, voornamelijk hele oude auto’s volgens mij. Twente moet wel haast het walhalla zijn voor oude auto’s, daar rijden er hier nog zoveel van rond. Ik heb nooit kunnen ontdekken wat jij precies betekende voor die auto’s. Was je een autohotel? De garage van een verzamelaar? Een restauratiewerkplaats? Het maakt verder niet meer uit; nu zijn je kamers leeg en hol. Ze smeken om bewoning, lachende mensen, gepraat, gezelligheid…

Weet je waar ik bang voor ben? Dat niemand behalve ik ziet dat je een húis bent. Dat de projectontwikkelaar die een bord over je voordeur heen gespijkerd heeft alleen de locatie ziet. Dat je dus afgebroken zult worden om ruimte te maken voor een of ander modern, karakterloos kantoorgebouw. Dat je opgeofferd wordt aan de woeste plannen om van de Oldenzaalsestraat een hypermodern ‘visitekaartje’ van Hengelo te maken. Dat niemand er geld in wil steken om jouw muren opnieuw te voegen, jouw houtwerk te verven en waar nodig te vervangen, jouw dak te repareren en jouw binnenste weer bewoonbaar te maken. Voor mij ben je representatief voor Hengelo en haar inwoners. Gemoedelijk, een beetje in verval geraakt maar heel aantrekkelijk.

Liefde maakt blind, ik weet het. Ongetwijfeld herberg jij onbekende en ongeziene gebreken. Veel comfort zul je zomaar niet bieden. CV is waarschijnlijk voor jou een onbekende afkorting. Ik betwijfel of je warm stromend water te geven hebt. Je muren kunnen heel wel doordrenkt zijn van benzinedampen. Toch zou ik er veel voor over hebben om jou míjn huis te kunnen noemen.

Helaas… geld heb ik niet, alleen maar dromen. Maar ik beloof je dit: als ik de hoofdprijs win in de Postcodeloterij dan koop ik je. Dan zal ik met mijn gezin jouw kamers vullen met gezelligheid, gelach, gehuil, kortom: leven!

Een perfect ronde knikker

Een perfect ronde knikker was ik, zo één met prachtige kleuren van binnen, waar ieder kind met bewondering naar kijkt, en een glad, glanzend glazen omhulsel. Helemaal gaaf, geen foutje te bekennen.

Toen werd ik geboren, ging deelnemen aan het leven. In het begin keek iedereen met verbazing naar die mooie binnenkant, al die prachtige kleuren. Ik was onaantastbaar in mijn kindzijn, veilig nog voor alle invloeden van buitenaf.

Mijn deelname aan het leven werd intensiever, ik leerde kruipen, lopen, praten, luisteren, verstaan, begrijpen… en daarmee kwamen de eerste –kleine- oneffenheidjes in die mooie glazen wand. Krasjes, die met een beetje liefde nog wel te bedekken waren. Putjes, die met iets meer liefde nog wel op te vullen waren.

Groter werd ik, er werd met me gespeeld en ik liet met me spelen. Ik speelde met anderen en anderen lieten mij met zich spelen. Ook dat had invloed op die mooie, maar niet meer gladde buitenkant. De glans ging er een beetje vanaf. Er werd tegen me aangeschopt, ik kwam in botsing met andere, ooit even perfecte, knikkers. Op de punten waar de botsingen het hevigst waren, schoten er scherfjes van het omhulsel af. Dat deed pijn, ik ging proberen om botsingen te vermijden. Natuurlijk ging dat niet goed, als ik opzij rolde naar links, lag daar juist een nog grotere botsing klaar om te gebeuren. Als ik dan uitweek naar rechts, bleek daar een diepe put te zijn waar ik inviel. Ik probeerde me mee te laten rollen met alles dat om mij heen bewoog. De glanzende buitenkant werd helemaal dof, de prachtige kleuren van binnen waren nog wel zichtbaar, maar vertroebeld.

Ik werd ouder, er kwam iemand in mijn leven die ik toeliet een glimp op te vangen van mijn prachtig gekleurde binnenkant. Hij wilde die binnenkant volledig zichtbaar maken en probeerde met zijn liefde mijn doffe, gebutste buitenkant te polijsten. Dat lukte hier en daar wel; op andere plaatsen waren er te grote scherven af. Even leek het erop dat ik een diamant ging worden, met aan alle kanten mooie symmetrische vlakken.

Hij en ik, we zorgden samen voor twee prachtige, glanzende nieuwe knikkers met nog mooiere kleuren van binnen. We dachten dat het ons zou lukken om ze te beschermen tegen alle invloeden waar ze dof of gekneusd van zouden kunnen raken. Dat bleek naïef, bijna arrogant naïef te zijn.

Na verloop van tijd ontstonden tussen hem en mij botsingen die ervoor zorgden dat we beiden nieuwe putten en krassen opliepen. Zoveel dat we ons bezeerden aan de ander en de ander bezeerden met onszelf. Ik besloot alleen verder te gaan. Erger had ik onze twee knikkertjes niet kunnen beschadigen dacht ik soms.

Ik vond een knikker die veel ernstiger beschadigd was dan ik maar die mij toeliet in zijn leven, toestond dat ik met mijn liefde zijn barsten en wonden probeerde te helen. Hij was de eerste die ik toestond door de scheuren heen mijn essentie aan te raken.

En nu, hoekig, beschadigd, met diepe barsten die hier en daar doorlopen tot de diep weggestopte gekleurde kern, besef ik dat het glazen omhulsel niet meer is dan juist dat: een glazen omhulsel. Door alle botsingen, schoppen, polijsten en stuiteren komt de naakte, onbeschermde binnenkant vrij. Alle kleuren zichtbaar, door niets meer verdoft of omfloerst. Dan pas kan die kern echt kleur geven. Natuurlijk, er zitten nog veel stukken omhulsel in de weg; soms is dat nodig, is onbeschermd mijn kern blootstellen aan de buitenwereld te eng, maar dof zal ik nooit meer zijn, helemaal verstopt ook niet. De verblindende kleuren sijpelen door de scheuren heen. Doordat ik leef, weet ik dat andere knikkers ook zo beschadigd zijn; sommige nog erger, bijna onherstelbaar, maar dat geeft niet. De kern, de gekleurde binnenkant komt langzaam maar zeker bij iedereen tevoorschijn. Mijn prachtig gekleurde essentie herkent de even schitterend gekleurde essentie in anderen. Ik laat mij aanraken in mijn kern, ik mag anderen aanraken in hun kern. Met mijn kleuren kan ik de kleuren van anderen aanvullen totdat we samenvloeien in het prachtigste palet dat een schilder zich kan wensen: de essentiële kleuren van het leven en de liefde.

Potjes creme

Mijn leeftijd verraadt zich door een potje crème…

Vroeger…

Vroeger, heel vroeger, toen had ik een hele batterij potjes en tubetjes met allerlei smeerseltjes voor alle plekjes van m’n lichaam die verzorging nodig hebben. Dagcrème, nachtcrème, elleboogcrème, voetencrème, bodylotion, lippenbalsem… En weet je wat er met al die prachtige, heerlijk ruikende potjes en tubetjes gebeurde? Na… ehm… nou, een jaar of 3, 4, verdwenen ze halfleeg en niet langer lekker ruikend in de vuilnisbak. Misschien, als ik goed zoek, liggen er hier of daar nog wel wat die nog niet gevonden zijn door de vuilnisbak. Zorgeloos vergat ik mezelf steeds in te vetten en door te smeren. Ik was jong en zou dat eeuwig blijven, tuurlijk! Lekker tot het laatst toe in bed blijven liggen ’s morgens en ’s avonds afgepeigerd er weer in rollen was veel belangrijker dan tijd verspillen aan invetrituelen.

Tweede jeugd

Maar nu… Nu zijn er plotseling twee potten crème schoon leeg! De ene stond op het plankje onder de spiegel in de slaapkamer, die was voor de nacht; de andere onder de spiegel in de badkamer, die was voor de dag, speciaal voor de tere huid rondom de ogen.Tenminste, dat stond op het etiket, maar ik ging er van uit dat wat goed is voor de tere huid rondom de ogen, ook goed is voor de tere (lees rimpelige) huid rondom mijn mond, in mijn hals, op mijn voorhoofd en waar je allemaal maar tere rimpels kunt krijgen. Echt leeg! Helemaal opgebruikt! In een half jaar tijd! Een teken aan de wand… Het moet wel komen doordat ik in m’n tweede jeugd zit. Een nieuwe relatie, een nieuwe omgeving, een nieuw leven dus. Of?

Komt het bekend voor?

Hebben meer vrouwen dat? Zo rond het 40ste levensjaar plotseling de tand des tijds aan je zien knagen, wroeging hebben over al die jaren waarin je je uiterlijk veronachtzaamd hebt, te lui was om mooi te willen blijven. Spijt… spijt van die eerste jeugd waarin ik niet verder dacht dan juist die eerste jeugd. Heb ik echt wel spijt? Of ben ik stiekem wel trots op die lachrimpeltjes, die tekenen dat ik toch die 40 jaar gewoon een goed leven gehad heb? Zouden al die leefrimpels wel zichtbaar geweest zijn als ik trouw die mooie potjes en tubetjes gebruikt had? Of zou ik er dan nu uitzien als een vrouw die oppervlakkig en zonder zorgen of humor een half leven achter zich heeft liggen?

Ik koop toch wel nieuwe…

De potjes zijn leeg, maar de lachrimpeltjes laten zich niet verdrijven. Toch koop ik nieuwe crème. Al is het maar om het gevoel te hebben dat ik nu nog iets kan doen aan de zorgenrimpeltjes. Die hoeven niet zo duidelijk zichtbaar te zijn, ik weet dat ze er zijn en waar ze vandaan gekomen zijn, maar dat hoeft niet iedereen te zien!