Zwijmelen op zaterdag

Crosby, Stills, Nash & Young

Zonder in al te veel details te treden wil ik een stukje van mijn leven delen. Ik ben opgegroeid in een klein dorpje (met stadsrechten, dat dan weer wel) in het Westland. Heel beschermd als oudste kind in een traditioneel arbeidersgezin: vader, moeder, een zusje en een broertje. Mijn vader werkte lange dagen, mijn moeder was chronisch ziek en lag vaak in het ziekenhuis, mijn zusje was veel schattiger om te zien dan ik en mijn broertje was een nakomertje, de lieveling van het hele gezin. Als oudste moest ik vanzelfsprekend de wijste zijn, mijn zusje mee laten spelen, met mijn broertje wandelen en vanaf tamelijk jong meehelpen in huis. O, niks heftigs hoor, ik heb beslist achteraf een mooie jeugd gehad, hoewel dat toen misschien niet altijd zo voelde. Eigenlijk nogal doorsnee. Daar zit een beetje de kneep, dat doorsnee… 

Ik was wat genoemd werd pienter en kon vrij snel lezen en schrijven. In mijn eerste rapport schreef de juf met uitroeptekens: Anja kan al een opstelletje schrijven!!! Lezen deed ik alles wat los en vast zat, van straatnaambordjes tot de overlijdensadvertenties in het kerkblad. Natuurlijk had ik boeken, ik kan me bijna geen andere cadeautjes herinneren uit die tijd dan boeken en er was een bibliotheekje van de Gereformeerde Kerk waar ik lid van heb mogen worden (en dat was best bijzonder, wij waren Nederlands Hervormd…). Mijn moeder hield ook van lezen en had veel boeken. Dat waren lange tijd natuurlijk verboden vruchten, maar hé, wat kan er nou voor raars zijn met woorden in boeken? Ik las dus van alles, ook dingen die ik niet echt begreep, maar die me hogelijk intrigeerden. Waarschijnlijk was ik daardoor een beetje pedant, vroegrijp maar tegelijkertijd supernaïef meisje, dat niks liever wilde dan die prins op het witte paard uit al die romans tegenkomen om met hem (zonder paard, ik heb niks met paarden) en een stel kindertjes oud te worden. “… en ze leefden nog lang en gelukkig”. 

Een maand voor mijn 16de verjaardag kreeg ik verkering met Hans. Vanaf de eerste zoen wist ik dat hij mijn prins was. Het enige ros dat hij had was van staal en dat vond ik een enorme opluchting. Geen gedoe met stallen en draven. Doordraven was meer mijn ding. Ik was semi-professioneel olifantenmaker – van muggen natuurlijk -, dreef graag over, had last van mezelf aangeprate fobieën zoals die voor spinnen, en kon belevenissen nét dat beetje extra geven als ik ze vertelde. Mijn zusje zou later zeggen dat ik nogal een drama-queen was… Hans en ik hadden dan ook niet echt een kalme en soepele verkeringstijd. We hielden van elkaar, dat was wél zeker. 

25 november 1980 was onze trouwdag. Koud, winderig, maar wat een prachtige dag! Allebei vanuit huis getrouwd, niet eerst samengewoond of zo, maar toen dus eindelijk samen in ons knusse huisje met een grote open haard, drie slaapkamers en een postzegelgroot plaatsje achter, in een autovrij straatje in Maassluis. Overdag werkten we, ‘s avonds genoten we van ons huisje en elkaar en in de weekends hadden we vaak vrienden over de vloer. Na een tijdje kwamen er twee katten bij ons wonen. In 1985 werd onze eerste dochter geboren, in 1989 onze tweede dochter. We waren een heel gelukkig, open en warm gezin. Maar… natuurlijk is er een maar. Opeens was het niet meer genoeg voor mij. Ik was niet ongelukkig, maar ook niet himmelhoch jauchzend. Niet ontevreden, maar ook niet helemaal tevreden. Niet helemaal overbodig, maar ook niet meer echt nodig, niet voor Hans in ieder geval, dacht ik. Ik scheurde ons gezinnetje in tweeën: Myriam verhuisde met mij mee naar Hengelo en Esther bleef bij Hans in Maassluis wonen. 

En nu… Als ik terugdenk aan die tijd is er een soort heimwee, een melancholiek gevoel dat die tijd als gezin definitief achter ons ligt. Een gevoel van schuld dat ik ‘ons’ verdeelde. Maar vooral een gevoel van dankbaarheid dat we het zo goed gehad hebben. 

De tijd in Maassluis is weer tastbaar voor mij als ik ‘Our house’ van Crosby, Stills, Nash & Young hoor…