Zwijmelen op zaterdag

Crosby, Stills, Nash & Young

Zonder in al te veel details te treden wil ik een stukje van mijn leven delen. Ik ben opgegroeid in een klein dorpje (met stadsrechten, dat dan weer wel) in het Westland. Heel beschermd als oudste kind in een traditioneel arbeidersgezin: vader, moeder, een zusje en een broertje. Mijn vader werkte lange dagen, mijn moeder was chronisch ziek en lag vaak in het ziekenhuis, mijn zusje was veel schattiger om te zien dan ik en mijn broertje was een nakomertje, de lieveling van het hele gezin. Als oudste moest ik vanzelfsprekend de wijste zijn, mijn zusje mee laten spelen, met mijn broertje wandelen en vanaf tamelijk jong meehelpen in huis. O, niks heftigs hoor, ik heb beslist achteraf een mooie jeugd gehad, hoewel dat toen misschien niet altijd zo voelde. Eigenlijk nogal doorsnee. Daar zit een beetje de kneep, dat doorsnee… 

Ik was wat genoemd werd pienter en kon vrij snel lezen en schrijven. In mijn eerste rapport schreef de juf met uitroeptekens: Anja kan al een opstelletje schrijven!!! Lezen deed ik alles wat los en vast zat, van straatnaambordjes tot de overlijdensadvertenties in het kerkblad. Natuurlijk had ik boeken, ik kan me bijna geen andere cadeautjes herinneren uit die tijd dan boeken en er was een bibliotheekje van de Gereformeerde Kerk waar ik lid van heb mogen worden (en dat was best bijzonder, wij waren Nederlands Hervormd…). Mijn moeder hield ook van lezen en had veel boeken. Dat waren lange tijd natuurlijk verboden vruchten, maar hé, wat kan er nou voor raars zijn met woorden in boeken? Ik las dus van alles, ook dingen die ik niet echt begreep, maar die me hogelijk intrigeerden. Waarschijnlijk was ik daardoor een beetje pedant, vroegrijp maar tegelijkertijd supernaïef meisje, dat niks liever wilde dan die prins op het witte paard uit al die romans tegenkomen om met hem (zonder paard, ik heb niks met paarden) en een stel kindertjes oud te worden. “… en ze leefden nog lang en gelukkig”. 

Een maand voor mijn 16de verjaardag kreeg ik verkering met Hans. Vanaf de eerste zoen wist ik dat hij mijn prins was. Het enige ros dat hij had was van staal en dat vond ik een enorme opluchting. Geen gedoe met stallen en draven. Doordraven was meer mijn ding. Ik was semi-professioneel olifantenmaker – van muggen natuurlijk -, dreef graag over, had last van mezelf aangeprate fobieën zoals die voor spinnen, en kon belevenissen nét dat beetje extra geven als ik ze vertelde. Mijn zusje zou later zeggen dat ik nogal een drama-queen was… Hans en ik hadden dan ook niet echt een kalme en soepele verkeringstijd. We hielden van elkaar, dat was wél zeker. 

25 november 1980 was onze trouwdag. Koud, winderig, maar wat een prachtige dag! Allebei vanuit huis getrouwd, niet eerst samengewoond of zo, maar toen dus eindelijk samen in ons knusse huisje met een grote open haard, drie slaapkamers en een postzegelgroot plaatsje achter, in een autovrij straatje in Maassluis. Overdag werkten we, ‘s avonds genoten we van ons huisje en elkaar en in de weekends hadden we vaak vrienden over de vloer. Na een tijdje kwamen er twee katten bij ons wonen. In 1985 werd onze eerste dochter geboren, in 1989 onze tweede dochter. We waren een heel gelukkig, open en warm gezin. Maar… natuurlijk is er een maar. Opeens was het niet meer genoeg voor mij. Ik was niet ongelukkig, maar ook niet himmelhoch jauchzend. Niet ontevreden, maar ook niet helemaal tevreden. Niet helemaal overbodig, maar ook niet meer echt nodig, niet voor Hans in ieder geval, dacht ik. Ik scheurde ons gezinnetje in tweeën: Myriam verhuisde met mij mee naar Hengelo en Esther bleef bij Hans in Maassluis wonen. 

En nu… Als ik terugdenk aan die tijd is er een soort heimwee, een melancholiek gevoel dat die tijd als gezin definitief achter ons ligt. Een gevoel van schuld dat ik ‘ons’ verdeelde. Maar vooral een gevoel van dankbaarheid dat we het zo goed gehad hebben. 

De tijd in Maassluis is weer tastbaar voor mij als ik ‘Our house’ van Crosby, Stills, Nash & Young hoor…

Zwijmelen op zaterdag

Don McLean

Al in de tijd dat ik het jongetje met de traan op zijn wang, waarvan een ‘schilderij’ bij mijn tante boven de trap hing, en de illustraties in de boeken over Marjoleintje van het Pleintje zag als Kunst, en ik nog nooit gehoord had van Turner, Picasso of Manet, voelde ik trillingen in mijn wezen als ik werk zag van Vincent van Gogh. Vooral ‘Sterrennacht’, ‘Amandeltakken in bloei’ en ‘Zelfportret met verbonden oor’ konden mij blij maken of laten huilen. 

Toen ik in de zesde klas op de lagere school een kindvriendelijke versie van het levensverhaal van Van Gogh voorgeschoteld kreeg, leek het mij superromantisch om zo in armoede te leven en de mooiste kunstwerken te kunnen maken. Armoede, een getormenteerde ziel en talent hoorden kennelijk bij elkaar om zo’n beroemde schilder te worden. Ik tekende graag en best aardig vond ik zelf, dus wie weet zou ik dat ook ooit kunnen bereiken. Die armoede schrikte mij niet af, luxe bestond in ons gezin uit een krentenbol en een eierkoek in het weekend en onbegrepen zijn zou vanzelf wel voor die getormenteerde ziel zorgen.  Ik droomde graag groot.

Een beroemde schilder ben ik niet geworden, waarschijnlijk was mijn talent toch niet zo verbazingwekkend als ik dacht, maar ik geniet nog steeds van de schilderijen van Van Gogh en van zijn levensverhaal zoals vertolkt door Don McLean in de song die ik van begin tot eind mee kan zingen, met alle trillingen, uithalen, pauzes en intonaties die daarbij horen.

Geniet met mij mee van dit gezongen portret van Van Gogh.

Ik spoor wel!

Lente 2004

Op gevaar af dat ik half forenzend Nederland hoog de (spoor-)bomen injaag, wil ik toch een lans breken voor het reizen per trein.

Vanavond trof ik het weer. Ik mocht voor de prijs van een rit die normaal gesproken binnen anderhalf uur al voorbij is (Amersfoort – Hengelo), bijna twee en een half uur in zo’n prachtige, droge coupé zitten. Een meter of honderd voor station Wierden stond de trein opeens stil, midden in dit prachtige dorp. Vrij snel na deze onverwachte stop werd omgeroepen dat er om onbekende reden een sein op rood stond en dat er tot dan toe tevergeefs geprobeerd was contact te zoeken met iemand die wist wat er aan de hand was. Hoera, eindelijk kreeg ik de kans om op mijn gemak te genieten van het uitzicht. Links een boerderijtje, bomen in bloei, een slootje omzoomd door Hollandse kant, een paar koeien in de wei… het had slechter gekund! Juist toen ik zo’n beetje alle fluitenkruidjes, koeien en bomen bij elkaar had opgeteld, door 314 gedeeld en toen met 7 vermenigvuldigd, uit het hoofd, kwam de trein weer in beweging. Gelukkig nog niet op topsnelheid, zodat ik kon blijven genieten van een dit keer niet voorbijflitsend uitzicht. Hoewel ik zeker wist dat ik in een intercity zat, stopte de trein vervolgens op het station in Wierden. Beetje saai station. Ik vond dat plekje honderd meter ervoor boeiender.

Inmiddels waren de jeugdigen in de coupé per mobieltje contact aan het zoeken met het thuisfront om de vertraging aan te kondigen. Ook daar kan ik van genieten. Iedereen heeft zo zijn eigen manier van het vertellen van een dergelijke pech. Een meisje van een jaar of 20 belde haar vriend en zei hem maar vast de stad in te gaan omdat ze geen idee had hoelang de vertraging zou duren. Uit de voor de helft te volgen dialoog viel af te leiden dat ze niet zo heel vaak te maken had met NS-plagerijtjes. Het traject was haar kennelijk ook niet erg bekend, want ze kon niet bij benadering zeggen waar de trein zich op het moment bevond. Ze had wel honger, dat mocht ze toch wel zeggen? Al vanaf 18.30 u. onderweg en wie weet wanneer ze iets zou kunnen eten. Ze had een lief thuisfront. Haar vriend bood kennelijk aan voor een diner te zorgen, want zij bestelde Foe Jong Hai met nasi goreng; ik kreeg er ook een beetje trek van. Een tweede meisje van ongeveer dezelfde leeftijd was duidelijk meer geplaagd door de NS. Zij begon haar gesprek met:”Het is weer eens zover, we zijn er bijna, maar nog lang niet helemaal. We zijn vlakbij Almelo, maar met deze snelheid kun je Almelo wel omdopen in Utopia, even onbereikbaar. Kom me maar niet afhalen, ik neem de bus wel weer. En oh ja, ik heb wel honger, is er nog iets in huis?” De meneer achter mij, die met zijn zoontje een familiebezoekje zou gaan afleggen, belde de neef die hem niet af zou halen of die de neef die hem wel af zou halen maar waar hij het telefoonnummer niet van wist wilde laten weten dat hij het niet wist, de tijd van aankomst, vanwege een vertraging met een oorzaak die niemand wist. Hij wist trouwens wel waar we waren… in Twente, dat had zijn zoontje zojuist verteld want die zat terwijl zijn topografie te leren. En Twente ligt boven de Achterhoek en dat weer boven Salland. (Is dat zo? Ik zou het niet eens zeker weten, dat van Salland dan.)

De mevrouw die voor me zat kreeg de kriebels door al dat stilstaan. Eerst ging ze maar eens naar het toilet (hm, dat doe ik nou nooit in de trein, zo vies! Toch een minpuntje voor de NS), toen ging ze omgekeerd in haar bank zitten en begon een gesprek met mijn achterbuurman en mij . Ze klaagde erover dat het toch nooit zonder vertragingen kan bij de NS, dat je nooit hoort wat er aan de hand is, dat ze niet wist waar we waren, dat ze zich verveelde en dat ze hier helemaal gestresst van werd, maar dat hadden wij inmiddels al gemerkt. Positief als ik van nature ben, probeerde ik haar klachten te relativeren. Ik reis vrij vaak met de trein en ik denk dat ik gemiddeld misschien twee keer per jaar een echte vertraging meemaak. Okee, vertragingen van minder dan een half uur tel ik niet mee. En er was toch net omgeroepen dat het personeel op deze trein ook niet wist waarom dat sein op rood bleef staan? Dat is al heel wat, dan weet je tenminste dat je niet de enige bent die het niet weet. Dat ze niet wist waar we waren kon ik haar niet kwalijk nemen. Toen dat omgeroepen werd, zat zij net op het toilet en misschien is daar de omroepinstallatie iets minder duidelijk. Ik vertelde haar dus maar dat we vlak voor Wierden stonden. Aan die verveling waren we al iets aan het doen, praten namelijk, en tegen dat stressen helpt iets doen ook, dus daar waren twee klachten in één klap verholpen toch? Ze kon gelukkig wel lachen.

Inmiddels werd er omgeroepen dat er een ernstige sein- en wisselstoring was in Almelo en dat het nog onbekend was hoelang het zou duren voor we verder konden reizen maar dat er voorlopig nog geen schot in leek te zitten. Direct na deze aankondiging zette de trein zich weer in beweging (afgeschoten?) en werd er omgeroepen dat we zoals het er naar uitzag -zij het met aangepaste snelheid- toch verder konden naar Almelo. Die aangepaste snelheid kwam mij wel goed uit, zo kon ik blijven genieten van de vertraagd voorbijkomende weiden, bosjes en slootjes. Ik wist het al, maar nu werd dat weten nog eens bevestigd: Twente is de mooiste streek van Nederland en daar geniet je het meest van als je er per trein met de snelheid van een fiets doorheen kunt trekken. Ik vond het bijna jammer dat we na Almelo weer in normaal tempo verder konden. Van mij had die trein er op dat stukje wel een kwartier langer over mogen doen. Ik had nog 20 minuten voordat de bus van een uur later zou gaan…

Mijn avonturen met George deel 5

19 en 24 juli 2018

Jullie denken misschien dat George met vakantie is, maar het ligt meer aan mijn hersens die oververhit zijn. Ik heb inmiddels twee avonturen van ons in mijn hoofd, maar ze wilden maar niet geschreven worden, geen zin kwam uit m’n vingers zoals ik het wilde. Nu toch nog maar eens proberen.

Vorige week donderdag kwam ‘s middags mijn jongste dochter kennismaken met George. Na natuurlijk wat verfrissingen en even bijpraten, heeft Alex George voorzichtig wakker gemaakt en naar mijn ‘startpunt’ gereden. We zijn gevieren vertrokken met onbekende bestemming. Dat onbekende bleek het Weusthagparkje te zijn, lekker dichtbij en heel rustig. Om in het parkje te komen, moesten George en ik wel een nieuw kunstje uithalen: een smal, oplopend paadje met aan het einde een haakse bocht overwinnen. Het is gelukt zonder om te kieperen, te gillen of te zweten. Vrij snel kwamen we bij het dierenweitje, waar vooral veel geitjes aan het grazen waren. Kennelijk was één van de grotere geiten diep onder de indruk van onze aanwezigheid, want die knielde eerbiedig voor ons. George verschoot er van en deed van schrik zijn licht aan. We hebben de geiten gerustgesteld, wij zijn niet om voor te knielen, wij zijn om naar te mekkeren… Het tochtje eindigde met een korte omweg via de snackbar. Ik heb gelukkig wel een foto van de eerbiedige geit.

Vandaag zijn we opnieuw naar het Weusthagpark geweest, Alex, George en ik. ‘t Was nog niet echt veel koeler buiten, maar we hoopten dat het tussen de bomen prettiger zou zijn dan in ons huisje waar momenteel een tropisch klimaat heerst. Het was inderdaad prettiger, al was het alleen al om de bomen, die ‘s avonds harsachtig beginnen te ruiken. George en ik zitten nog steeds in onze proeftijd, dus er moesten nieuwe hindernissen gezocht worden. Nah, natuurlijk heeft Alex die wel weten te vinden. Een smal en vreselijk mul zandpad. Zouden wij dat kunnen? Nou, het heeft me wel zoveel stress opgeleverd dat ik daarna een stukje rustig moest wandelen en George aan Alex heb overgelaten, maar we konden het inderdaad. En voor een volgende keer weet ik dus dat George ook zulke paadjes niet schuwt. Jullie zien, geen spectaculaire ongelukken of gekneusde ego’s dit keer, maar je weet nooit wat er een volgende keer gebeurt. Ik ga in ieder geval George verrassen met een paar vriendjes: een klein gehaakt valkparkietje en als het me lukt (ben zelf een patroontje aan het schrijven) een trotse pauw.

Parkietje

Mijn avonturen met George deel 4

15 juli 2018

Avond, zondag, winkels dicht, doel dichtbij: dat wordt een ritje met twee vingers in de neus voor mij, een half oog dicht voor Alex en een freewheelende George. Toch? Denken jullie dat? Laat me je geruststellen, het werd toch nog een avontuur(tje).

We gingen koffie drinken bij Maja en Peter, die 200 meter verderop wonen. Kort ritje dus. Alex had George netjes voor mij van stal gehaald en naar het pad naast ons huis gebracht tot ik klaar was met puf, sleutels en zakdoeken in m’n tas gooien. Weer vol zelfvertrouwen vertrokken en met een kalm vaartje naar het appartementencomplex gereden. Niks raars onderweg. Netjes de handel gehanteerd zoals het hoort, dus niet remmen zoals met de handrem van een fiets, maar juist de handel loslaten als ik wilde afremmen en stoppen, en de handel inknijpen zoals het pedaal van een naaimachine ingedrukt moet worden om sneller te gaan. Ik kreeg het gevoel dat ik het door begon te krijgen en komende week best in m’n eentje korte stukjes weg zou kunnen. Bij hun flat keurig de hal in gereden en ik wilde George daar op ons laten wachten, hij hoefde van mij niet mee naar boven. Alex vond het wel leuk als George toch mee ging, dus we zijn de lift in gereden. Alex bediende de knoppen van het liftpaneel en toen de liftdeur open ging kon ik er keurig rechtdoor uit. Geen vuiltje aan de lucht. Op de galerij gekomen moesten we even zoeken naar het goede huis, maar voordat ik kon zeggen dat de stoelen me niet bekend voor kwamen, hoorden we een wél bekende stem tegen ons zeggen dat we een verdieping hoger moesten zijn. Oh… hm… nou  ja, dan gaan we gewoon terug naar de lift en een stukje hogerop. Nou zijn galerijen over het algemeen best smal, dus George laten keren was geen optie, we moesten achteruit. Ook geen probleem, er zit tenslotte een achteruit op. Alex was al naar de automatische deur gelopen zodat die open zou gaan en ik er netjes doorheen kon. Met van die piepjes als was George een vrachtwagen reden we voorzichtig achteruit. Béng. “Hooo, stop, je zit ergens tegenaan!” Oké, dat is niet goed, die deur is toch open? Stukje vooruit. Weer de vrachtwagenpiepen van George. “HO-OOO, JE ZIT ERGENS TEGENA-HAAN!” Ja, kom nou, daar zit toch een deur? Een open deur? O, die zit meer naar links! Nee, rechts! Nee, als je achteruit rijdt toch links. Gloeiende gloeiende, welke kant moet ik nou op sturen? Ik weet het echt niet meer. Alex redde me, hij heeft George voor me achteruit gereden, zonder iets te raken door die deur, gekeerd, de lift in, verdieping hoger en naar de goede voordeur.. En ik? Ik sjokte er suffig achteraan, zal ik het ooit leren? 

Muziek uit mijn jeugd

Let us cling together

Opgegroeid in een gezin waar De Zingende Zusjes, John Woodhouse, Westlands Mannenkoor en mijn moeder -die dag en nacht zong, vooral kinderliedjes en christelijke liederen- voor het grootste deel van de muziek zorgden, ging de muziekwereld voor mij open toen ik bij vriendinnen thuis het bestaan van andere muziek ontdekte. Arbeidsvitaminen (voor u), en Radio Veronica “één negen twee, goed idee, luister mee naar Veronica” begonnen invloed te krijgen op mijn muziekbeleving. Toen ik in 1971 (zesde klas lagere school) voor 5 gulden een transistorradiootje overnam van een klasgenoot kon ik eindelijk helemaal zelf bepalen waar ik naar luisterde. Wel met een beetje gekraak, maar tjongejonge wat een prachtige muziek bestond er! 

Ik sla gemakshalve een aantal jaar over tot 1977. Ik woonde toen intern in een ziekenhuis in Rotterdam, waar ik de intramurale opleiding verpleegkunde A begonnen was. Piepjong was ik achteraf en helemaal niet voorbereid op wat Rotterdam en de opleiding allemaal met mij zouden doen. Ik was vaak doodeenzaam, voelde me een sukkeltje in de aanwezigheid van de wereldwijze, stadse jongens en meiden met wie ik in de opleiding zat en was dolgelukkig dat Gerda er was, een dorpsgenootje dat op dezelfde verdieping als ik woonde in het zusterhuis. Muziek stond altijd aan als we vrij waren. Ik had een pick up en een radio, maar niet heel veel lp’s, dus ik leende regelmatig van Gerda. Op een emotionele avond na een weekendje thuis in ‘s-Gravenzande kwam ze langs met haar nieuwste aanwinst, A Day At The Races van Queen. Bij het nummer Teo Torriate stroomden de tranen van heimwee langs mijn wangen. Let us cling together, het was waar ik naar verlangde, together clingen met mijn ouders, zusje, broertje en niet in het minst mijn vriend.

Nu, in een tijd waarin we allemaal afstand moeten houden, is deze song opeens weer een bron van heimwee. Niet alleen naar die tijd waarin ik nog aan het begin van mijn leven stond, vol idealen en verwachtingen, maar ook naar de mensen die ik voorlopig nog niet mag knuffelen of zelfs maar bezoeken. Is dat ook zwijmelen? Ja, ik zwijmel wel op de tonen van Queen’s Teo Torriate…

Mijn avonturen met George deel 3

14 juli 2018

Nou, de eerste rit met lichamelijk letsel ook gehad, pfff… Ik moest er helemaal van snotteren, eerlijk waar. Hoe dat kan? Tja… 

Aan het begin van de avond zijn George, Alex en ik op pad gegaan naar het winkelcentrum hier vlakbij om wat boodschapjes te doen. Zonnig en ontspannen ritje, George gedroeg zich prima en ik voelde me behoorlijk  zelfverzekerd en happy, zo met mijn twee mannen. George netjes tussen van die fietshekjes geparkeerd. Wel gefluisterd dat hij voor mij veel beter is dan een fiets, maar bescheiden moet zijn tegenover auto’s, dus niet op een autoplekje mag staan. Hij keek meteen nogal hautain naar de fiets die naast hem stond, dat moet ik er nog uit zien te krijgen, een George die te hoog van de toren blaast past niet bij mij. Bij de supermarkt de gebruikelijke boodschappen gedaan en een jute boodschappentas gekocht die precies in het mandje voorop past. Die ga ik nog wel verfraaien natuurlijk, weg met dat supermarktlogo! Ik denk dat George dat ook leuk vindt, dan ziet hij er wat sjieker uit.

Ook de terugweg ging vlekkeloos, tot het moment dat ik het opritje naar de stoep in onze straat nam. ‘t Is een heel raar bochtje, waar ik vorige keren ook al moeite mee had, maar nu was er een extra obstakel, een meneer die daar zijn hond uit liep te laten en opeens hard nieste. Ik heb geleerd altijd ‘gezondheid’ te zeggen in zo’n geval, dus dat deed ik nu ook. Dat had ik niet moeten doen, want daardoor raakte ik van slag en kneep in de handel om te remmen en dat gebeurt dus niet als je knijpt, dan ga je juist harder en dat is niet handig als je een rare bocht neemt, waar links een ijzeren hekje staat. Daar knoeperde George dus tegenop en van schrik kneep ik nog harder in die handel en kwam loeihard met mijn knie tegen datzelfde hekje. Zo hard, dat het meisje dat in het huis achter het hekje woont verschrikt naar buiten kwam om te kijken of er een auto haar huis binnen aan het rijden was. Bibberend maar stoer heb ik haar gerustgesteld en ben dapper verder gereden tot in onze eigen tuin. Daar zag ik dat m’n knie open lag en er een paar mooie blauwe plekken zaten. En toen begon ik dus te snotteren. Niet zozeer van dat bloed of die blauwe plekken, maar van de deuk in m’n ego.

Ik moest van mezelf later op de avond nog een keer weg met George. Ik was bang dat hij anders voor lange tijd in de schuur zou moeten blijven. Om 22.00 u zijn we dus nog een keertje op pad gegaan. Mooi rustig op straat, geen niezende mannen, niet meer zo heet, en als de zon onder is ruikt de natuur zo lekker. Het ritje was perfect, stukjes Hengelo gezien die me nog onbekend waren en nergens gekke dingen of obstakels tegengekomen. Ik durf morgen best weer! Ik zorg er alleen wel voor dat ik voortaan altijd m’n mobieltje bij me heb, zeker als George en ik zonder Alex aan de rol gaan.

Mijn avonturen met George deel 2

12 juli 2018

Gisteren wilde George absoluut niet naar buiten. Het was onbestendig weer, af en toe viel er een plensbui en het was niet te voorspellen of hij droog zou blijven. Hij heeft geen paraplu of dakje, dus toen ik naar hem keek, keek hij heel boos terug. Echt zo van: als je het wáágt me weer bloot te stellen aan dat weer daar buiten, dan laat ik je onderweg mooi staan, ik ben gisteren al gedoopt! Natuurlijk wil ik goeie vriendjes blijven, dus ik ben maar afgedropen.

Vanavond moest hij er echter toch aan geloven. Het was mooi weer vandaag, de lucht was onbewolkt (of te donker om de wolken te zien) en ‘s avonds is het niet zo druk  op straat, dus prachtige omstandigheden om een rondje te maken. Gelukkig wilde Alex wel een eindje wandelen, dus die ging gezellig mee. George mocht nog steeds in schildpadstand rustig aan mij wennen en ik aan hem. We hebben het goed gedaan samen, voor het grootste deel dan.

schildpadje
schildpadstand 😉

Een paar kleine aandachtspuntjes tegengekomen, zoals het wel goed vast blijven houden van de handel, want als ik die loslaat weigert George ook nog maar een wiel te verdraaien, Ook zijn breedte moet ik nog leren inschatten, want volgens Alex reed ik af en toe midden op de weg, in plaats van netjes langs de kant. Ik heb wel vaak in de spiegel gekeken, en George laten knipogen als we een bochtje namen, en we zijn maar één keer bijna over de kop gevlogen. Dat kwam doordat Alex wel wilde weten hoe hard George en ik konden, dus toen heb ik de schildpadstand even opgeheven, de volumeknop (zal wel anders heten, maar daar lijkt het op) helemaal open gedraaid en de handel helemaal ingeknepen. Ik voelde me net een ouwe Max Verstappen. Tja, en toen reden we over een putdeksel en voelde ik George iets te heftig wiebelen… Oké, de volgende keer zal ik het volume iets geleidelijker terugdraaien, of de handel langzamer terug laten gaan in plaats van in één keer helemaal loslaten.

Ik hoop trouwens dat de meneren die de coniferenhaag zouden komen rooien en een schutting met de nieuwe deur op een andere plek zouden plaatsen daar niet te lang meer mee wachten, want de poortdeur is echt erg krap, zelfs Alex had moeite om George de tuin in te krijgen.

Kennismaking met George

10 juli 2018

Hij is er. Het is een jongen, prachtig blauw. Toen we elkaar zagen fluisterde hij: “ik heet George Galaxy, maar jij mag wel George zeggen”. Ik ben ook al met hem weggeweest. Het was een heel avontuur. Hij en ik zijn ook meteen gedoopt, zowel een vuurdoop (pfff, echt best eng!) als een doop met heel veel water. Niet voorzichtig een paar druppels om ons niet af te schrikken, nee, de volle laag. Ik weet nu meteen dat mijn regenjack niet waterdicht is. Het meisje dat hem bracht zag er ook niet uit alsof ze het droog hield. Zij heeft dapper naast me gewandeld, steeds met een hand op ingrijphoogte aan George. Dat was wel nodig. Mijn stuurmanskunst laat nog wel te wensen over en het achteruitrijden heb ik nog niet onder de knie, ik raakte Alex die (bezorgd of om me uit te lachen, dat durf ik niet te vragen) een paar keer achter mij liep, en ik ramde dus meteen onze poortdeur aan het eind van het oefenrondje.

Volgens mij heb ik niemand in levensgevaar gebracht, buiten mezelf dan, maar wat niet is kan nog komen. Misschien is het idee van mijn jongste, Myriam, nog niet zo slecht. Een fel oranje vlaggetje haken. En dan met de tekst “Pas op, beginnend gemotoriseerde bestuurder”. Ik ga mijn best doen dat vlaggetje snel overbodig te maken.

Hengelo, pas op, Anja is los!

Anja en George

Potjes creme

Mijn leeftijd verraadt zich door een potje crème…

Vroeger…

Vroeger, heel vroeger, toen had ik een hele batterij potjes en tubetjes met allerlei smeerseltjes voor alle plekjes van m’n lichaam die verzorging nodig hebben. Dagcrème, nachtcrème, elleboogcrème, voetencrème, bodylotion, lippenbalsem… En weet je wat er met al die prachtige, heerlijk ruikende potjes en tubetjes gebeurde? Na… ehm… nou, een jaar of 3, 4, verdwenen ze halfleeg en niet langer lekker ruikend in de vuilnisbak. Misschien, als ik goed zoek, liggen er hier of daar nog wel wat die nog niet gevonden zijn door de vuilnisbak. Zorgeloos vergat ik mezelf steeds in te vetten en door te smeren. Ik was jong en zou dat eeuwig blijven, tuurlijk! Lekker tot het laatst toe in bed blijven liggen ’s morgens en ’s avonds afgepeigerd er weer in rollen was veel belangrijker dan tijd verspillen aan invetrituelen.

Tweede jeugd

Maar nu… Nu zijn er plotseling twee potten crème schoon leeg! De ene stond op het plankje onder de spiegel in de slaapkamer, die was voor de nacht; de andere onder de spiegel in de badkamer, die was voor de dag, speciaal voor de tere huid rondom de ogen.Tenminste, dat stond op het etiket, maar ik ging er van uit dat wat goed is voor de tere huid rondom de ogen, ook goed is voor de tere (lees rimpelige) huid rondom mijn mond, in mijn hals, op mijn voorhoofd en waar je allemaal maar tere rimpels kunt krijgen. Echt leeg! Helemaal opgebruikt! In een half jaar tijd! Een teken aan de wand… Het moet wel komen doordat ik in m’n tweede jeugd zit. Een nieuwe relatie, een nieuwe omgeving, een nieuw leven dus. Of?

Komt het bekend voor?

Hebben meer vrouwen dat? Zo rond het 40ste levensjaar plotseling de tand des tijds aan je zien knagen, wroeging hebben over al die jaren waarin je je uiterlijk veronachtzaamd hebt, te lui was om mooi te willen blijven. Spijt… spijt van die eerste jeugd waarin ik niet verder dacht dan juist die eerste jeugd. Heb ik echt wel spijt? Of ben ik stiekem wel trots op die lachrimpeltjes, die tekenen dat ik toch die 40 jaar gewoon een goed leven gehad heb? Zouden al die leefrimpels wel zichtbaar geweest zijn als ik trouw die mooie potjes en tubetjes gebruikt had? Of zou ik er dan nu uitzien als een vrouw die oppervlakkig en zonder zorgen of humor een half leven achter zich heeft liggen?

Ik koop toch wel nieuwe…

De potjes zijn leeg, maar de lachrimpeltjes laten zich niet verdrijven. Toch koop ik nieuwe crème. Al is het maar om het gevoel te hebben dat ik nu nog iets kan doen aan de zorgenrimpeltjes. Die hoeven niet zo duidelijk zichtbaar te zijn, ik weet dat ze er zijn en waar ze vandaan gekomen zijn, maar dat hoeft niet iedereen te zien!