Ik spoor wel!

Lente 2004

Op gevaar af dat ik half forenzend Nederland hoog de (spoor-)bomen injaag, wil ik toch een lans breken voor het reizen per trein.

Vanavond trof ik het weer. Ik mocht voor de prijs van een rit die normaal gesproken binnen anderhalf uur al voorbij is (Amersfoort – Hengelo), bijna twee en een half uur in zo’n prachtige, droge coupé zitten. Een meter of honderd voor station Wierden stond de trein opeens stil, midden in dit prachtige dorp. Vrij snel na deze onverwachte stop werd omgeroepen dat er om onbekende reden een sein op rood stond en dat er tot dan toe tevergeefs geprobeerd was contact te zoeken met iemand die wist wat er aan de hand was. Hoera, eindelijk kreeg ik de kans om op mijn gemak te genieten van het uitzicht. Links een boerderijtje, bomen in bloei, een slootje omzoomd door Hollandse kant, een paar koeien in de wei… het had slechter gekund! Juist toen ik zo’n beetje alle fluitenkruidjes, koeien en bomen bij elkaar had opgeteld, door 314 gedeeld en toen met 7 vermenigvuldigd, uit het hoofd, kwam de trein weer in beweging. Gelukkig nog niet op topsnelheid, zodat ik kon blijven genieten van een dit keer niet voorbijflitsend uitzicht. Hoewel ik zeker wist dat ik in een intercity zat, stopte de trein vervolgens op het station in Wierden. Beetje saai station. Ik vond dat plekje honderd meter ervoor boeiender.

Inmiddels waren de jeugdigen in de coupé per mobieltje contact aan het zoeken met het thuisfront om de vertraging aan te kondigen. Ook daar kan ik van genieten. Iedereen heeft zo zijn eigen manier van het vertellen van een dergelijke pech. Een meisje van een jaar of 20 belde haar vriend en zei hem maar vast de stad in te gaan omdat ze geen idee had hoelang de vertraging zou duren. Uit de voor de helft te volgen dialoog viel af te leiden dat ze niet zo heel vaak te maken had met NS-plagerijtjes. Het traject was haar kennelijk ook niet erg bekend, want ze kon niet bij benadering zeggen waar de trein zich op het moment bevond. Ze had wel honger, dat mocht ze toch wel zeggen? Al vanaf 18.30 u. onderweg en wie weet wanneer ze iets zou kunnen eten. Ze had een lief thuisfront. Haar vriend bood kennelijk aan voor een diner te zorgen, want zij bestelde Foe Jong Hai met nasi goreng; ik kreeg er ook een beetje trek van. Een tweede meisje van ongeveer dezelfde leeftijd was duidelijk meer geplaagd door de NS. Zij begon haar gesprek met:”Het is weer eens zover, we zijn er bijna, maar nog lang niet helemaal. We zijn vlakbij Almelo, maar met deze snelheid kun je Almelo wel omdopen in Utopia, even onbereikbaar. Kom me maar niet afhalen, ik neem de bus wel weer. En oh ja, ik heb wel honger, is er nog iets in huis?” De meneer achter mij, die met zijn zoontje een familiebezoekje zou gaan afleggen, belde de neef die hem niet af zou halen of die de neef die hem wel af zou halen maar waar hij het telefoonnummer niet van wist wilde laten weten dat hij het niet wist, de tijd van aankomst, vanwege een vertraging met een oorzaak die niemand wist. Hij wist trouwens wel waar we waren… in Twente, dat had zijn zoontje zojuist verteld want die zat terwijl zijn topografie te leren. En Twente ligt boven de Achterhoek en dat weer boven Salland. (Is dat zo? Ik zou het niet eens zeker weten, dat van Salland dan.)

De mevrouw die voor me zat kreeg de kriebels door al dat stilstaan. Eerst ging ze maar eens naar het toilet (hm, dat doe ik nou nooit in de trein, zo vies! Toch een minpuntje voor de NS), toen ging ze omgekeerd in haar bank zitten en begon een gesprek met mijn achterbuurman en mij . Ze klaagde erover dat het toch nooit zonder vertragingen kan bij de NS, dat je nooit hoort wat er aan de hand is, dat ze niet wist waar we waren, dat ze zich verveelde en dat ze hier helemaal gestresst van werd, maar dat hadden wij inmiddels al gemerkt. Positief als ik van nature ben, probeerde ik haar klachten te relativeren. Ik reis vrij vaak met de trein en ik denk dat ik gemiddeld misschien twee keer per jaar een echte vertraging meemaak. Okee, vertragingen van minder dan een half uur tel ik niet mee. En er was toch net omgeroepen dat het personeel op deze trein ook niet wist waarom dat sein op rood bleef staan? Dat is al heel wat, dan weet je tenminste dat je niet de enige bent die het niet weet. Dat ze niet wist waar we waren kon ik haar niet kwalijk nemen. Toen dat omgeroepen werd, zat zij net op het toilet en misschien is daar de omroepinstallatie iets minder duidelijk. Ik vertelde haar dus maar dat we vlak voor Wierden stonden. Aan die verveling waren we al iets aan het doen, praten namelijk, en tegen dat stressen helpt iets doen ook, dus daar waren twee klachten in één klap verholpen toch? Ze kon gelukkig wel lachen.

Inmiddels werd er omgeroepen dat er een ernstige sein- en wisselstoring was in Almelo en dat het nog onbekend was hoelang het zou duren voor we verder konden reizen maar dat er voorlopig nog geen schot in leek te zitten. Direct na deze aankondiging zette de trein zich weer in beweging (afgeschoten?) en werd er omgeroepen dat we zoals het er naar uitzag -zij het met aangepaste snelheid- toch verder konden naar Almelo. Die aangepaste snelheid kwam mij wel goed uit, zo kon ik blijven genieten van de vertraagd voorbijkomende weiden, bosjes en slootjes. Ik wist het al, maar nu werd dat weten nog eens bevestigd: Twente is de mooiste streek van Nederland en daar geniet je het meest van als je er per trein met de snelheid van een fiets doorheen kunt trekken. Ik vond het bijna jammer dat we na Almelo weer in normaal tempo verder konden. Van mij had die trein er op dat stukje wel een kwartier langer over mogen doen. Ik had nog 20 minuten voordat de bus van een uur later zou gaan…

Voor papa

3 november 1998

Vandaag zit er een kind in de trein, een kind van 39, maar eventjes weer klein: naast papa in de kerk, waar hij het hardste en mooiste zingt van iedereen, met van die prachtige galmende uithalen!

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: door oma heel vroeg uit bed gehaald; papa staat in oma’s kamer om het hoekje van de deur en zegt met alle geluk van de wereld in zijn stem en tranen in zijn ogen:”Je hebt een broertje, een BROERTJE!”

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: met papa mee naar de bouw; helpen kruiwagens zand sjouwen terwijl op de radio Eddy Merckx bezig is de Tour te winnen; een dood lieveheersbeestje begraven in een van papa gekregen lucifersdoosje; in de keet besmuikt kijken naar de (natuurlijk door papa’s collega’s daar opgehangen) plaatjes van blote “dames”.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar eventjes weer klein: met papa en Petra een eind fietsen, helemaal naar het Staelduinse Bos en op de terugweg uitrusten in het gras en alle voorbijrazende auto’s bewonderen.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind, niet meer klein: die stoere, sterke papa, die als een kind zo blij was met de geboorte van elk kleinkind, die elk huilend baby’tje stil kreeg, die bulderend kon lachen en bulderend boos kon zijn, die de woorden “ik hou van je” nooit tegen me uitsprak maar me in alles liet merken dat hij dat wél deed, die het vaak niet eens was met mijn keuzes of ze gewoon niet begreep maar die toch, al was het soms wankelend, achter me bleef staan, die trouwe, zorgzame papa is er opeens niet meer.

Vandaag zit er een kind in de trein, hetzelfde kind maar nooit meer “klein”. Wat zou ik er veel voor willen geven om hem nog 1 keer Annekie tegen me te horen zeggen. Papa, ik hou van je.